Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AS5663

Datum uitspraak2004-12-10
Datum gepubliceerd2005-03-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 04 / 381 ANW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verweerder heeft eiseres het voornemen kenbaar gemaakt het te veel ontvangen bedrag aan uitkering over de maanden september 2002 tot en met september 2003 ter hoogte van € 4.282,99 terug te vorderen alsmede haar een boete op te leggen ten bedrage van € 429,--, aangezien zij niet aan haar mededelingsverplichting heeft voldaan.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Bestuursrecht Procedurenummer: AWB 04 / 381 ANW Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken inzake [eiseres] wonende te [woonplaats], eiseres, tegen de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Vestiging Roermond), gevestigd te Amsterdam, verweerder. Datum bestreden besluit: 6 februari 2004 Kenmerk: RM 5134-0 Behandeling ter zitting: 1 november 2004 1. Ontstaan en loop van het geding Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 6 februari 2004 heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift van 22 oktober 2003 tegen een door verweerder genomen besluit van 26 september 2003 en van 1 december 2003 gedeeltelijk gegrond verklaard. Tegen eerstgenoemd besluit is door eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift. Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 1 november 2004, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer G.M.H. Lubberdink. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, medewerker beroepszaken. 2. Overwegingen De feiten Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft verweerder eiseres met ingang van mei 2002 een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) toegekend. Het inkomen uit arbeid van eiseres heeft verweerder daarbij vastgesteld op € 286,70 per maand. Dit inkomen leidt niet tot korting van haar nabestaandenuitkering. Op 9 juli 2003 is bij verweerder een Inkomensopgaveformulier ingekomen waarbij is aangegeven dat eiseres sedert 26 september 2002 een WAO-uitkering ontvangt alsmede een aanvullend pensioen van het Pensioenfonds Horeca & Catering. Vervolgens is door verweerder een onderzoek ingesteld naar de inkomsten van eiseres. Bij besluit van 26 september 2003 heeft verweerder de hoogte van de Anw-uitkering van eiseres ingaande september 2002 herzien, aangezien uit het door eiseres retour gezonden Inkomensopgaveformulier is gebleken dat het inkomen van eiseres is gewijzigd. Eiseres geniet naast haar inkomsten uit arbeid een WAO-uitkering. Een dergelijke uitkering moet worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid, die volledig op de nabestaandenuitkering in mindering moet worden gebracht. Voor de berekening van de Anw-uitkering over de maand september 2002 is uitgegaan van een bedrag van € 314,09 ofwel een volledig maandbedrag. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de gegevens die van het UWV werden ontvangen. Bij brief van 26 september 2003 heeft verweerder eiseres het voornemen kenbaar gemaakt het te veel ontvangen bedrag aan uitkering over de maanden september 2002 tot en met september 2003 ter hoogte van € 4.282,99 terug te vorderen alsmede haar een boete op te leggen ten bedrage van € 429,--, aangezien zij niet aan haar mededelingsverplichting heeft voldaan. Op 7 oktober 2003 is eiseres tijdens een hoorgesprek in de gelegenheid gesteld haar zienswijze ten aanzien van de voorgenomen boeteoplegging kenbaar te maken. Zij heeft toen aangegeven geen moeite te hebben met de terugvordering op zich, maar wel met de op te leggen boete. In de periode na het overlijden van haar man was zij helemaal verward. Ze heeft in die periode geen post opengemaakt. Dit deed haar schoonzoon. DSM heeft haar geholpen met het invullen van de aanvraagformulieren. Ze gebruikt ook medicijnen. Bij brief van 22 oktober 2003 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 september 2003. Eiseres heeft uit onwetendheid gehandeld. Zij ging immers over van ziekengeld naar de WAO en heeft er niet bij stilgestaan dat dit per omgaande gemeld zou moeten worden. Het bedrag van de toegekende WAO-uitkering over september 2002 is lager geweest dan het bedrag waar verweerder rekening mee heeft gehouden. Zij heeft een specificatie van haar WAO-uitkering over de maand september 2002 bijgevoegd. Daaruit blijkt dat haar arbeidsongeschiktheidsuitkering geen € 314,09 maar € 43,32 heeft bedragen. Daarnaast heeft zij nogmaals bezwaar gemaakt tegen de boete, die zij buiten proporties vindt. Ook vraagt zij begrip voor de moeilijke periode die zij na het overlijden van haar man heeft moeten doormaken. Verweerder heeft bij besluit van 1 december 2003 van eiseres de ten onrechte betaalde Anw-uitkering ten bedrage van € 4.282,99 teruggevorderd en aan eiseres een boete opgelegd van € 429,--. Eiseres heeft de mededelingsverplichting geschonden. Verweerder is niet gebleken van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken van verwijtbaarheid op grond waarvan de boeten zou moeten worden verlaagd dan wel geheel zou moeten afgezien van het opleggen van een boete. Verweerder heeft het bezwaarschrift van 22 oktober 2003 geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 1 december 2003. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om op het bezwaarschrift te worden gehoord. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Het besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij als volgt besloten. Over de maand september 2002 bedraagt de nabestaandenuitkering bruto € 904,47; de bijbehorende vakantie-uitkering bedraagt € 53,53 bruto. De over de periode september 2002 tot en met september 2003 te veel betaalde uitkering van € 4.012,49 vordert verweerder van eiseres terug. De boete wordt verlaagd naar € 297,--. Bij haar bezwaarschrift heeft eiseres een specificatie van haar WAO-uitkering over de maand september 2002 gevoegd. Daaruit blijkt dat haar arbeidsongeschiktheidsuitkering geen € 314,09 maar € 43,32 heeft bedragen. Slechts dit laatste bedrag moet dus op de nabestaandenuitkering in mindering worden gebracht. De correctie op de nabestaandenuitkering over de maand september 2002 heeft uiteraard een evenredige verlaging van het terug te vorderen bedrag tot gevolg. In plaats van € 4.282,99 vordert verweerder thans € 4.012,49 van eiseres terug. Verweerder verrekent de openstaande vordering inmiddels in maandelijkse termijnen van € 400,-- met de Anw-uitkering van eiseres. Hiermee heeft zij ingestemd. Bij de toekenning van de Anw-uitkering in augustus 2002 is eiseres meegedeeld, dat zij elke wijziging in haar inkomen moest melden. De toekenning van een WAO-uitkering is een wijziging die zij binnen vier weken aan verweerder had moeten melden, maar eerst bij het herhalingsonderzoek in juli 2003 heeft zij verweerder daarvan in kennis gesteld. Verweerder is gehouden iemand een boete op te leggen, indien deze persoon zijn of haar mededelingsverplichting niet of niet tijdig nakomt. Eiseres heeft verweerder niet tijdig in kennis gesteld van het feit dat haar inkomen gewijzigd was. De omstandigheid dat anderen tijdelijk haar post opengemaakt hebben of haar geholpen hebben bij de invulling van formulieren ontslaat haar niet van deze verplichting. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding om van de boete af te zien. Het bedrag van de boete is gerelateerd aan de hoogte van het ontstane benadelingsbedrag. De op te leggen boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en naar boven afgerond op een veelvoud van € 11,--. Met het besluit van 1 december 2003 heeft verweerder een boete opgelegd van € 429,--. Hierbij is verweerder uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 4.282,99. Dit was echter niet juist. Omdat verweerder op 9 juli 2003 het inkomensopgaveformulier van eiseres heeft ontvangen, moet de boete gebaseerd worden op het benadelingsbedrag over de maanden september 2002 tot en met juni 2003. Het betreft dan een bedrag van € 2.959,45. De boete heeft verweerder derhalve nader vastgesteld op 10% daarvan en naar boven afgerond tot € 297,--. Omdat verweerder al een bedrag van € 429,-- heeft verrekend met de Anw-uitkering zal verweerder het verschil van € 132,-- aan eiseres restitueren. Het beroep Eiseres heeft in beroep aangevoerd, dat in de betreffende periode alles aan haar voorbij ging. Haar man was slechts enkele maanden daarvoor overleden. Toch acht verweerder geen verminderde verwijtbaarheid aanwezig. Dit vind eiseres een boute stelling die pijn doet en haar in een hoek zet waar zij niet wil staan, aangezien hieruit zou kunnen worden afgeleid dat zij mogelijk toch te kwader trouw heeft gehandeld. Er dient in zijn geheel geen sprake te zijn van een boete, temeer daar eiseres heeft aangegeven akkoord te gaan met de verrekening van het te veel ontvangen bedrag. Uit het bestreden besluit blijkt dat ook verweerder een vergissing heeft gemaakt. De vraag is of dit een verwijtbare fout is van verweerder. Volgens eiseres wel. Bij gelijke rechten dient zij dan 10% boete te betalen van € 1.330,54, hetgeen afgerond neerkomt op een bedrag van € 143,--. Eiseres stelt echter dat voor beiden geen verwijtbaar handelen geldt. Immers, overal kunnen vergissingen worden gemaakt. Daarom verzoekt zij de rechtbank de boete op nul vast te stellen. Het verweer Verweerder heeft in het verweerschrift naar voren gebracht, dat de ernst van de gedraging op grond van artikel 2 van het Boetebesluit wordt afgemeten aan het benadelingsbedrag. De mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten wordt beoordeeld naar de situatie op het moment waarop de belanghebbende zij verplichtingen had moeten nakomen. Een situatie waarin verweerder verminderde verwijtbaarheid aanwezig acht doet zich bijvoorbeeld voor, indien de betrokkene onjuiste of onvolledige informatie verstrekt of een wijziging van omstandigheden niet binnen vier weken meldt, maar uit eigen beweging alsnog juiste informatie verstrekt, voordat verweerder een overtreding constateert. Meldt de betrokkene de wijziging in het kader van een controle van verweerder, dan is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Eiseres heeft pas op 9 juli 2003 aangegeven, dat zij sedert 26 september 2003 (lees: 2002) een WAO-uitkering ontvangt alsmede een invaliditeitspensioen van het Pensioenfonds Horeca & Catering. Eiseres heeft derhalve nagelaten om binnen vier weken te melden dat zij een WAO-uitkering, zijnde inkomsten in verband met arbeid, is gaan ontvangen die anders dan inkomsten uit dienstbetrekking volledig op de Anw-uitkering in mindering worden gebracht. Evenmin heeft zij tijdig gemeld dat zij een invaliditeitspensioen is gaan ontvangen. Aangezien eiseres de mededelingsverplichting heeft geschonden is haar een boete van € 297,-- opgelegd. Verweerder is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden verlaagd dan wel moet worden afgezien van het opleggen van een boete. Eiseres is bij de toekenning van de Anw-uitkering in augustus 2002 op de hoogte gesteld van het feit dat zij elke wijziging in haar inkomsten aan verweerder moest melden. Het had derhalve op de weg van eiseres gelegen om het verkrijgen van de WAO-uitkering en het invaliditeitspensioen tijdig te melden. Verweerder heeft niet verwijtbaar gehandeld. Het had immers op de weg van eiseres gelegen om alle inkomstengegevens te verstrekken. Nu eiseres heeft nagelaten dit te doen, kan zij zich niet beroepen op het feit dat haar WAO-uitkering over de maand september 2002 slechts € 43,32 bedroeg. Eerst bij de indiening van het bezwaarschrift legt zij een specificatie over van haar WAO-uitkering, waaruit dit blijkt. Hetgeen door eiseres is aangevoerd kan niet leiden tot geen of verminderde verwijtbaarheid op grond waarvan moet worden afgezien van het opleggen van een boete. Verweerder gaat ervan uit, dat het niet nakomen van zijn verplichtingen niet aan de belanghebbende kan worden verweten als deze ten tijde dat hij aan zijn mededelingsverplichting diende te voldoen in onvoorziene omstandigheden verkeerde, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die het de belanghebbende feitelijk onmogelijk maakten aan zijn mededelingsverplichting te voldoen. Hiervan is in casu geen sprake. Verweerder acht verminderde verwijtbaarheid aanwezig als de belanghebbende verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan zijn mededelingsverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat haar niet valt toe te rekenen dat de informatie niet tijdig of volledig aan verweerder is verstrekt. Het overlijden van de echtgenoot van eiseres in mei 2002 kan, hoe verdrietig ook, niet worden aangemerkt als een omstandigheid op grond waarvan verminderde verwijtbaarheid moet worden aangenomen. De verkrijging van een Anw-uitkering is immers inherent aan het verlies van een dierbaar persoon. Ook overigens is eiseres in staat gebleken om kort na het overlijden van haar echtgenoot een aanvraag ter verkrijging van een Anw-uitkering in te vullen. Derhalve kan een beroep op verminderde verwijtbaarheid niet slagen. De beoordeling De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Gelet op hetgeen eiseres heeft aangevoerd beperkt het geschil tussen partijen zich tot de opgelegde boete. a. Ontvankelijkheid bezwaarschrift Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van het onderhavige geschil toe te kunnen komen ziet de rechtbank zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld, of verweerder op goede gronden het schrijven van eiseres van 22 oktober 2003 heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het nog te nemen besluit tot oplegging van een boete en vervolgens op basis daarvan de thans bestreden beslissing heeft kunnen nemen. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient de belanghebbende, aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens dit beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken. Artikel 6:4, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit genomen heeft. Onder een besluit wordt ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat uitsluitend en alleen tegen een reëel besluit een rechtsmiddel kan worden aangewend. De in de wet op deze regel genoemde uitzonderingen doen zich in het onderhavige geval niet voor. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken. Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepaalt dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:10, eerste lid, van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen, of nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. De wetgever heeft met deze bepaling uitdrukkelijk slechts in twee gevallen willen toestaan dat ten aanzien van een voortijdig ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft. De bepaling in artikel 6:10, tweede lid, van de Awb is niet bedoeld om een ruimere werking aan deze begrenzing van de ontvankelijkheid te geven, maar beoogt uitsluitend en alleen de bevoegdheid aan verweerder toe te kennen een binnen de grenzen van het eerste lid ontvankelijk bezwaar niet eerder te behandelen dan na bekendmaking van het besluit. In casu staat vast dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift verweerder slechts een voornemen tot het opleggen van een boete aan eiseres had bekendgemaakt. Dit voornemen was vervat in de brief van 26 september 2003. In deze brief en in de bij die brief behorende bijlage heeft verweerder de procedure uitgelegd die wordt gevolgd bij het opleggen van een boete. Verweerder heeft hierin aangegeven dat eiseres eerst kan reageren op het voornemen en vervolgens een besluit zal ontvangen. Nadrukkelijk is opgemerkt dat het indienen van een bezwaarschrift tegen het voornemen niet mogelijk is; eiseres is er wel op gewezen dat zij een bezwaarschrift kan indienen tegen de uiteindelijke beslissing, waarbij de boete wordt opgelegd. Op 7 oktober 2003 is eiseres door een medewerker van verweerder gehoord over het voornemen een boete op te leggen. In het door eiseres ingediende bezwaarschrift van 22 oktober 2003 geeft zij (onder andere) te kennen bezwaar te hebben tegen de aangekondigde boete. In het Antwoordformulier hoorgesprek (gedingstuk 20) geeft eiseres te kennen dat zij uitsluitend bezwaar heeft tegen de boete. In aansluiting hierop wordt zij uitgenodigd voor een hoorzitting op 27 november 2003. Eerst op 1 december 2003 neemt verweerder het besluit tot oplegging van een boete ad € 429 wegens het niet tijdig doorgeven van wijzigingen in het inkomen ten gevolge waarvan ten onrechte een Anw-uitkering is uitbetaald. Verweerder deelt in dit besluit mee dat het bezwaarschrift van 22 oktober 2003 geacht wordt gericht te zijn tegen dit boetebesluit. Eiseres heeft vervolgens afgezien van een hoorzitting. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte het bezwaarschrift van 22 oktober 2003 ontvankelijk heeft verklaard tegen het besluit van 1 december 2003. Uit de stukken is genoegzaam duidelijk dat het besluit tot oplegging van een boete ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift nog niet was genomen. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de met eiseres gevoerde correspondentie en gesprekken zij evenmin redelijkerwijs kon menen dat het besluit wel reeds tot stand was gekomen. De rechtbank is verder van oordeel dat zich in deze zaak niet de omstandigheid voordoet als in CRvB 17 december 2002 (AB 2003/81). Weliswaar is door verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar bezwaarschrift in behandeling is genomen, en wel nadat eiseres te kennen had gegeven dat het bezwaar zich beperkte tot de boete, op basis van de hierboven weergegeven bescheiden was evident dat een besluit nog zou volgen en dat eiseres alsdan tegen dat besluit bezwaar diende te maken. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke gevolgen zij moet verbinden aan de omstandigheid dat verweerder eiseres vervolgens heeft meegedeeld dat zij, gelet op haar brief van 22 oktober 2003, geen bezwaar meer behoefde in te dienen. De rechtbank stelt voorop dat verweerder jegens eiseres onzorgvuldig heeft gehandeld door haar ter zake van haar rechtsbescherming op een dwaalspoor te brengen. Verweerder heeft in strijd met de wet aan eiseres meegedeeld dat zij geen bezwaar meer behoefde in te dienen. Het kan onder de gegeven omstandigheden dan ook niet aan eiseres worden toegerekend dat zij dit (tweede) bezwaarschrift niet meer heeft ingediend. Omdat vernietiging van het besluit tot een ernstige procesrechtelijke benadeling van eiseres zou leiden, acht de rechtbank het aangewezen met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het thans bestreden besluit niet enkel om de onderhavige reden te vernietigen. b. De boete Ingevolge artikel 35 van de Anw is de nabestaande verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt uitbetaald. Blijkens verweerders beleidsregels verstaat verweerder onder “onverwijld” in de zin van artikel 35 van de Anw: binnen vier weken nadat het van belang zijnde feit heeft plaatsgevonden of de relevante wijziging van omstandigheden is ingetreden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet voldaan aan haar verplichting verweerder onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van de wijziging in de aard van haar inkomen. Eiseres heeft verweerder immers niet - althans niet binnen vier weken - in kennis gesteld van het feit dat zij een WAO-uitkering is gaan ontvangen, hetgeen haar door het UWV bij besluit van 3 september 2002 is meegedeeld. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Anw legt de Sociale verzekeringsbank, indien de nabestaande de verplichting, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk is nagekomen, hem een boete op van ten hoogste € 2.269,--. Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Anw wordt de hoogte van de boete afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de nabestaande de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Anw kan de Sociale verzekeringsbank, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten van het opleggen van een boete af te zien. Ingevolge artikel 39, zevende lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (hierna het Besluit) wordt de boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 45 wordt vastgesteld. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit wordt de boete naar boven afgerond op een veelvoud van € 11. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit wordt de boete, die is berekend met toepassing van artikel 2, verhoogd of verlaagd, indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres, nu deze de verplichting, bedoeld in artikel 35 van de Anw, niet of niet behoorlijk is nagekomen, terecht een boete opgelegd. Deze boete heeft verweerder overeenkomstig voormelde bepalingen terecht vastgesteld op een bedrag van € 297,--, nu het benadelingsbedrag € 2.959,45 bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter ten onrechte geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het Besluit. Ten onrechte betrekt verweerder in zijn beoordeling enkel en alleen het overlijden van de echtgenoot van eiseres. Uit de stukken is genoegzaam duidelijk geworden dat niet alleen dit overlijden, maar ook een noodzakelijke verhuizing en ernstige psychische klachten een rol speelden. In dit verband wijst de rechtbank verweerder op de in overweging 15 van het verweerschrift neergelegde regel dat ook sprake is van verminderde verwijtbaarheid in geval van onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren, en die eiseres weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan haar mededelingsverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat haar niet valt toe te rekenen dat de informatie niet tijdig of volledig aan de SVB is verstrekt. Alhoewel de rechtbank niet is gebleken dat elke vorm van verwijtbaarheid bij eiseres ontbrak, ziet zij wel gronden, die ertoe nopen de hoogte van de boete nader in overeenstemming te brengen met de mate waarin eiseres de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin zij destijds verkeerde. Verweerder zal zich opnieuw dienen te beraden over deze aspecten. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de reiskosten van eiseres wegens haar verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 door de rechtbank vastgesteld op € 12,02, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. De rechtbank acht geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres heeft moeten maken wegens de haar verleende rechtsbijstand. Weliswaar heeft zij zich ter zitting doen bijstaan door de heer [X] en heeft zij deze ook vermeld op het Formulier Opgave proceskosten, doch nergens is uit gebleken dat deze eiseres beroepsmatig heeft bijgestaan. In ieder geval is niet gebleken dat de heer [X] zijn kosten bij eiseres in rekening heeft gebracht. Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist. 3. Beslissing De rechtbank Maastricht: 1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; 2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres; 3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door de Sociale Verzekeringsbank; 4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 12,02 wegens reiskosten, te vergoeden door de Sociale Verzekeringsbank aan eiseres. Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2004 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. w.g. C. Kavelaars w.g. F.A.G.M. Vluggen Voor eensluidend afschrift, de griffier, Verzonden: 10 december 2004 Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.